De dalen van Boorne, Tjonger en Linde liggen noordoost naar zuidwest georiënteerd in het landschap. Ze zijn ontstaan door water dat vanaf het Drents Plateau richting zee stroomt. Tussen Boorne en Tjonger ligt een waterscheiding die Fryslân in tweeën deelt. De Tjonger en Linde stromen naar het zuidwesten en kwamen daar vroeger in de Zuiderzee uit. De Boorne buigt af naar het noorden en kwam uit in de voormalige Middelzee.
Deze overzichtskaart laat de natuurlijke hoogteverschillen van de grote beekdalen zien. De verschillen zijn versterkt weergegeven. In werkelijkheid liggen de veenpolders op -2 m NAP en de hoogste delen van het zand ten zuiden van Oosterwolde op +18m NAP. Een verschil van slechts 20 meter. En dan ligt Oosterwolde zelf maar op +8 m NAP, de hoogste, oranje gekleurde pieken zijn stuifduinen. Die zijn pas in de middeleeuwen ontstaan als gevolg van erosie door menselijk handelen. De basis van het reliëf is ontstaan tijdens de voorlaatste ijstijd en de afzetting van dekzand tijdens de laatste ijstijd. De grootste hoogteverschillen zijn later door erosie afgevlakt. De detailkaartjes van elke afzonderlijke beek hebben een andere invalshoek. Die zijn bedoeld om de bewoningsgeschiedenis te laten zien.
Daarom heb ik daar gekozen om de veenbedekking en de waterlopen van tegenwoordig te gebruiken met daarop de ligging van de dorpen uit de periode van de agrarsiche ontginning volgens de Schotanus-Halma altlas uit 1718. De bebouwing langs de veenvaarten is gedeeltelijk van latere datum. In 1718 werd er nog volop aan de vaarten gegraven. Bijvoorbeeld bij Donkerbroek was men pas rond 1790. De positie van die huisjes komt gedeeltelijk uit Schotanus en gedeeltelijk uit de atlas van Eekhof (1848 -1859).
De belangrijkste rivier voor het ontstaan van het Friese landschap als geheel is de Boorne. Bij de behandeling van "Keileem" ga ik niet verder westelijk dan Aldeboarn. Vandaar stroomt de Boorne het Friese kleilandschap in. Meer informatie over dat deel vind je bij Zeeklei: Westergo en Oostergo. Bij de Tjonger en Linde lopen uitlopers van de zandgrond ongeveer door tot aan de Rottige Meente.
Op de brede rug tussen de Boorne en de Tjonger lagen tot in de 16e eeuw nog grote stukken ongerept hoogveen. Ook bij Drachten, Oosterwolde en Noordwolde lag hoogveen. In de 16e eeuw begon men met het grootschalig afgraven van deze venen om in de groeiende energiebehoefte van West Nederland te voorzien. De turf werd gebruikt om de oorlogsindustrie van de Tachtigjarige Oorlog draaiende te houden en de economische groei van de Gouden Eeuw van brandstof te voorzien.
Naast het hoogveen begon men in de 18e eeuw ook met het grootschalige exploiteren van het laagveen. Hoogveen kon men droogleggen waarna het vrij eenvoudig kon worden afgestoken, het laagveen moest vanonder de waterspiegel uitgebaggerd worden, wat grote schade aan al bestaande landbouwgebieden tot gevolg had. Eind 19e eeuw nam door de opkomst van Steenkool en Olie de vraag naar turf af. Ten oosten van Oosterwolde ligt op de grens tussen Fryslân en Drenthe het Fochteloërveen, het laatste restant hoogveen van enige betekenis. Meer over het turfgraven kan je vinden bij Keileem: Ontginning en Wâlden en bij het hoofdstuk Veen is meer te vinden over het uitbaggeren van laagveen.