Voormalige Surhuzumer venen en Drachtster Kompenije

Tot aan het eind van de middeleeuwen lagen er in deze streek uitgestrekte hoogvenen, ook "de Leien" maakte daar nog deel van uit. In de sterk agrarische georiënteerde samenleving van de 10e tot de 13e eeuw hadden boeren weinig belangstelling voor deze wildernis. In de 13e eeuw lieten plaatselijke landheren twee kloosters in Achtkarspelen stichten: Gerkeskleaster (1240) en Bouwekleaster (rond 1300). De blauwe lijn geeft de grenzen tussen de grietenijen aan, de zwarte lijn is de grens tussen gebieden waarop Bouwekleaster (west) en Gerkeskleaster (oost), binnen Achtkarspelen aanspraak konden maken. Beide kloosters hadden al snel uithoven. Gerkeskleaster lag in de kleistreek en verwierf door landaanwinningen in het Lauwerszeegebied meer bezittingen dan Bouwekleaster dat op de arme zandgrond lag. De kloosters zagen het nut van bezitsrechten van het hoogveen en wisten grote delen te verwerven. De venen werden gebruikt om schapen te houden en turf te steken voor de eigen behoefte.

Gerkeskleaster wist de meest zuidelijke boerderij bij Kortwâld in bezit te krijgen en stichtte daar een uithof. Kortwâld was één van de oorspronkelijke acht dorpen van Achtkarspelen met een Parochiekerk en lag aan de bovenloop van de Lauwers. Gerkeskleaster kon daardoor in het stuk wildernis gebruik maken van het recht van opstrek en zijn bezittingen doortrekken naar de grens met het gebied van Bouwekleaster. Naar de uithof bij Koartwâld werd een vaart gegraven (de huidige Ald Feart), parallel aan de Lauwers. Via de vaart werd de waterafvoer verbeterd en kon turf naar het klooster worden vervoerd. Vanaf 1570 kwam er meer belangstelling voor turf omdat in het sterk groeiende Holland het brandhout schaars begon te worden. In ruil voor infrastructurele voorzieningen en gratis levering van turf werden door de kloosters de rechten op turfsteken afgestaan aan verschillende commerciele partijen. In 1580 werden de kloosters opgeheven en vervielen alle rechten en bezittingen aan de Staten van Friesland. De vervening ten zuidwesten van Koartwâld moet daarna, in de eerste helft van de 17e eeuw zijn begonnen, op de schotanuskaart van 1664 staan al vaartenstelsels aangegeven.

Bij Drachten speelde klooster Smelne een grote rol bij het opstarten van de grootschalige turfwinning. Ten noorden daarvan waren er ook vroege pogingen maar die bleken niet erg winstgevend, de verveners mochten de Hogeweg niet doorsteken. De Hogeweg is op het kaartje zichtbaar als geel lijntje ten westen van de oorspronkelijke lintbebouwing van Drachten. Tegenwoordig ligt hier een brede vierbaans weg die de belangrijkste noord-zuid verbinding dwars door Drachten vormt. Hier kwam de turfwinning pas echt op gang nadat een aantal investeerders, in 1641 verenigd in de Drachtster Compagnie, toestemming kreeg om met de Drachtstervaart de Hogeweg te doorgraven. Zo kon het hoogveen ten oosten van Drachter worden bereikt. De investeringen voor een dergelijk grote operatie waren enorm en leidden tot faillissement van de eerste investeerden. Pas daarna werd de turfwinning winstgevend. Ten oosten van de oudste bewoningsas van Drachten werden haaks op de Drachtstervaart twee vaarten gegraven, de Noorder- en de Zuiderdwarsvaart, van daaruit liepen de Wijken het hoogveen in.

Opmerkelijk is de knik in de grens tussen Achtkarspelen en Smallingerland rond de Houtigehage. In de middeleeuwen waren de grenzen in de veenwildernis niet nauwkeurig vastgeleg. Naarmate het hoogveen waardevoller werd, nam het belang van de grens toe, waarschijnlijk hebben beide grietenijen het stuk onder elkaar verdeeld. De naam Houtigehage heeft betrekking op de slechte kwaliteit van het veen in die strook.

- Sgroten 1573
- Mol, Noomen & van der Vaart 1990
- Van den Wittenboer et al. 2018. 40-47




Voormalige Surhuzumer venen en Drachtster Kompenije
Kaart is een bewerking van het Het Actueel Hoogtebestand Nederland: Esri Nederland, (AHN) z.d.




Hoog
Legenda
Laag

Fryslansite ©Hendrik van Kampen