|
|
1550, Harlingen wordt een versterkte havenstad
Tijdens de middeleeuwen was de Zee rustig en kon de kwelder aangroeien. Halverwege de 12e eeuw kwam hierin verandering. Bij de Allerheiligenvloed van 1170 ontstond de Zuiderzee. Zware stormen teisterden de kust waarbij grote stukken land werden weggeslagen,1 Harlingen kwam aan zee te liggen. Dankzij het veel grotere oppervlak van de Zuiderzee kreeg het water bij vloed de ruimte. De Marneslenk en Middelzee begonnen als gevolg daarvan dicht te slibben, ze konden relatief snel worden ingepolderd. Na het dichtslibben van de monding van de Ried moest nu al het water uit het achterland door de sluis bij Harlingen.
Die kon de grote hoeveelheden water niet aan, regelmatige overstromingen waren het gevolg. Om het probleem op te lossen werden er drie spuisluizen in de noordelijke zeedijk aangelegd: bij Roptasyl, Seisbierrum en Koehool.2 Dankzij de positie als doorvoerhaven kon Harlingen fors groeien. In 1502 werd door Albrecht, hertog van Saksen de vesting "het Blokhuis" aan de westkant van de stad gebouwd,3 De eerste houten havenhoofden werden in 1503 aangelegd en in 1553 verrees het "Blauwhuis" op het Blokhuis. In het Blauwhuis zetelde de militaire staf, het gebouw had een toren waarin gevangenen zaten.4
|