|
|
1230, De groei van Harlingen
In de late middeleeuwen liepen belangrijke handelsroutes over de Zuiderzee. Na de bedijking ontstond aan een slenk bij de terp van Almenum een vissers- en handelsbuurtje, het lag gunstig en kon zich goed ontwikkelen. Al snel werd het een nederzetting met een flinke omvang. De monding van de Ried, de belangrijke vaarverbinding met het achterland, verzandde door de verminderder stroming die het gevolg was van het ontstaan van de Zuiderzee. Er werd een aftakking naar Harlingen gegraven (1220),1 het belang van de plaats nam hierdoor verder toe. In 1228 is de eerste vermelding van Harlingen als de Bisschop van Utrecht op weg naar Groningen "Herlinge" bezoekt.2 Vanaf 1311 komt de plaats voor in Engelse handelsregisters als "Harlingen".3
Wanneer Harlingen stadsrechten heeft gekregen is onzeker. Meestal wordt het jaar 1234 vermeld maar die datum is niet betrouwbaar. Ten oosten van Harlingen werd in 1158 het klooster Lundingakerke gesticht. De kloosterlingen namen het voortouw bij de aanleg van dijken, sluizen, vaarten en de verkaveling van het gebied.4 In 1456 werd de vaart naar Franeker geslat en voorzien van een beschoeiïng. Hoe in die tijd het vaarwater achter Lundingakerke liep is niet duidelijk.
|